maandag 22 april 2013

Troonswisseling

U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was
Johannes 19:11

Bij de gratie Gods
Van oudsher wordt het huis van Oranje verbonden aan het protestantse geloof. Al had Willem van Oranje de godsdienstige tolerantie hoog in het vaandel staan en voelden de Oranjes zich door de eeuwen heen betrokken bij uiteenlopende geloofsovertuigingen. De verbondenheid aan het geloof zien we terug in de aanhef van koninklijke besluiten en wetten. 'Wij Beatrix, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau enz., enz'. Sinds 1983 staat deze aanhef trouwens niet meer in de grondwet.
Het gebruik van de woorden 'gratie Gods' is afkomstig van het concilie van Efeze (431) Daar plaatsten de bisschoppen de woorden 'Dei gratia' achter hun titel. Bij de kroning van de Frankische vorst Pepijn de Korte in 751 werden de woorden 'Koning bij de gratie Gods' gebruikt. Het betekent, dat de overheid van God gegeven is en dat de koning aan God verantwoording schuldig is.

In onze huidige samenleving wordt dit allemaal niet meer zo beleefd. Het koningschap is flink uitgekleed en haast een symbolische functie geworden in onze parlementaire constitutionele monarchie. Dat God de overheid geeft, wordt door maar weinig mensen beleden. Is daarbij ook de verantwoording van het koninklijk huis aan de Heere God zo goed als verdwenen? Daar kunnen en mogen we ons niet over uitspreken. Dat is aan onze koningin. Dat valt ook grotendeels onder het geheim van Huis ten Bosch. Al laat zij zo nu en dan merken, dat het geloof haar kracht geeft. In ieder geval mag ons gebed zijn, dat zij in de juiste verhouding tot de Heere God mag staan. Tegelijk is er de wens, dat ook de toekomstige koning Willem-Alexander hiervan mag weten en koning wil zijn bij de gratie Gods.

Overheid als dienares van God
Maar los van wat mensen menen en geloven, is daar de werkelijkheid die God ons geeft. De apostel Paulus benadrukt dit in Romeinen 13 waar hij schrijft: Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld. Paulus die deze woorden schreef onder het wrede bewind van keizer Nero geeft aan, dat de overheid een dienares is van God. In dit licht is het ook vreemd, dat enkele leden van de eerste en de Tweede Kamer niet bereid zijn op 30 april de eed of de belofte af te leggen bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander. Dat de overheid een dienares is van God benadrukt ook de Heere Jezus, wanneer Hij staat voor Pontius Pilatus. Tegen hem zegt Hij: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was.

Dit alles laat ons zien, dat de Heere boven alles staat en alles leidt en regeert. Mensen zouden geen macht hebben, als de Heere hen die niet gaf. Toch moeten we opmerken, dat niet alles wat op aarde gebeurt naar Gods wil is. Veel menselijk handelen gaat zelfs lijnrecht in tegen Gods handelen. Dit geldt ook voor het doen en laten van koningen, keizers en presidenten. Eerder noemde ik al de wrede keizer Nero onder wiens bewind Paulus de brief aan de Romeinen schreef, maar er zijn veel machthebbers te noemen uit verleden en heden, die deden wat God tegenstaat. De Bijbel staat er ook vol mee. Dat mensen macht hebben gekregen, betekent dan ook niet dat de uitoefening van die macht overeenkomstig Gods wil is. Het betekent wel, dat zij verantwoording hebben af te leggen van wat zij in hun machtsposities gedaan hebben. Dit geldt ook voor koningin Beatrix en het zal voor kroonprins Willem-Alexander gelden vanaf 30 april 2013. Bij dit alles is het dus een zegen, wanneer ze niet alleen regeren bij de gratie Gods, maar zich daar ook bewust van zijn.

Door Gods genade
Maar dit heeft niet alleen betrekking op hooggeplaatste personen. Het gaat ook u en mij aan. We hebben allemaal onze machtsposities, die we door Gods genade ontvangen hebben en daarom zullen we allemaal ons handelen moeten verantwoorden aan Hem.
Daarbij zijn wij ook allemaal aan gezagsdragers onderworpen. Het zou heerlijk zijn, wanneer Nederland hiervan doordrongen was. Maar laten we eerst onszelf hierop bekijken. Is ons leven tot eer van de Heere God. Leven wij bij de gratie Gods en onderwerpen wij ons aan de gezagsdragers die over ons gesteld zijn?
Laten we bij dit laatste punt beginnen. Een onderwerp waar Zondag 39 van de Heidelbergse Catechismus verder op in gaat door het vijfde van de Tien geboden breder uit te leggen, dan allen naar vader en moeder. Wat is bijvoorbeeld onze reactie, wanneer we een bekeuring krijgen? Hoe gaan de jongeren om met ouders en met leerkrachten? Hoe reageren we in en langs de lijnen? De afgelopen weken lees ik iedere maandag op Internet over misstanden op de voetbalvelden. Scheidsrechters en grensrechters die niet 'slechts' beledigd zijn, maar ook geslagen. Soms zelfs tot bewusteloosheid aan toe. Ook zij zijn gezagsdragers. In de komende dagen voor de troonswisseling mogen we hier best wel eens over nadenken.
Natuurlijk denken we dan ook na over de wijze waarop wij zelf onze macht bekleden. Hoe handelen we als ouder, als leerkracht, als scheidsrechter, als politieagent, als werkgever, als …. Vult u zelf maar in. Onze machtsposities zijn ook door Gods genade ons ten deel gevallen. Laten we dan ook leven bij de gratie Gods.

maandag 15 april 2013

Jaargesprek

Op de synode van de Protestantse Kerk van 20 april 2012 is besloten tot het invoeren van jaargesprekken. Hierover is toen het volgende gezegd: Het jaargesprek tussen kerkenraad en predikant/kerkelijk werker is een noodzakelijk middel ter bevordering van de kwaliteit van gemeente en predikant / kerkelijk werker.” Het jaargesprek is een instrument om aan kwaliteitseisen tegemoet te komen. Dit jaargesprek zal et karakter moeten hebben “van een open, vertrouwelijke en gelijkwaardige dialoog, waarin alle betrokkenen zich ervoor inzetten om positief-kritisch te reflecteren op het eigen en andermans houding, handelen en functioneren”. Hierbij zouden de volgende punten aan de orde moeten komen.

  • De evaluatie van ieders (persoonlijke) welbevinden en motivatie in de kerkenraad en de gemeente
  • De evaluatie van de ondernomen activiteiten in het afgelopen jaar
  • De planning en prioritering van de activiteiten in het komende jaar
  • De rol- en taakverdeling bij de uitvoering van de geplande activiteiten
  • De ontwikkeling van houding en competenties van de kerkenraadsleden; voor de predikant en de ouderling-kerkelijk werker gaat het hier om het persoonlijk scholingsplan in het kader van de permanente educatie
  • De rapportage en communicatie over de gemaakte afspraken


Zondag 14 april 2013 preekte ik over Johannes 21:15-17. Het is een evaluatiegesprek tussen de Heere Jezus en Simon Petrus. Al kunnen we het ook een functioneringsgesprek noemen of een jaargesprek. In dit gesprek vallen een paar dingen op. Bij de vragen, die de Heere Jezus stelt, grijpt Hij terug op wat geweest is. Bij de eerste vraag gaat Hij in op de verhouding van Simon ten opzichte van de andere discipelen. Waarom? Omdat Simon Petrus eens gezegd heeft: “Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen”. In totaal stelt de Heere Jezus drie vragen. Een aantal dat verwijst naar het aantal keren, dat Simon ontkent heeft, dat hij Jezus kent en bij Hem hoort. Toch is dit alles niet het belangrijkste uit het gesprek tussen hen. Het verleden wordt aangestipt, maar komt eigenlijk niet ter sprake. De Heere Jezus heeft een veel belangrijker punt. Hij wil weten van Simon Petrus of hij Hem lief heeft.
Bij een jaargesprek in de kerkenraad zal met name dit punt aan de orde moeten komen. Heeft de predikant / kerkelijk werker de Heere Jezus lief. Hebben de andere kerkenraadsleden de Heere Jezus lief? De bovengenoemde punten halen het hier niet bij. Dit is de kern waar het in de gemeente om moet draaien. De liefde tot de Heere Jezus. Vervolgens zal er geen toetsing moeten zijn van het gegeven antwoord. Het is voldoende wanneer de Heere Jezus weet van de liefde voor Hem.
Moeten er dan verder geen kwaliteitseisen gesteld worden? Natuurlijk moeten predikant / kerkelijk werker en kerkenraad hun door God gegeven werkzaamheden naar vermogen uitvoeren en is het uitstekend, wanneer activiteiten geƫvalueerd worden. De plaatselijke gemeente en de landelijke kerk is echter geen bedrijfsorganisatie. De kerkenraad is de werkplaats van de Geest. Daar waar liefde voor Jezus is, is de Heilige Geest werkzaam en zal de gemeente geleid worden en zullen activiteiten ontplooid worden die zijn tot meerdere eer en glorie van de God en Vader van Jezus Christus. Daarom is het nodig, dat ieder jaargesprek begint en eindigt met het uitspreken van de liefde tot Jezus door gebed en lofgezang en laat daar tussenin maar niet teveel gezegd worden.